Koptekst overslaan
 

Windows-verificatie instellen

Voor u het apparaat configureert, dient u na te gaan of de beheerdersverificatie correct is geconfigureerd onder "Beheerdersverificatie management".

1Log in als apparaatbeheerder via het bedieningspaneel.

2Druk op [Systeeminstellingen].

3Druk op [Beheerdertoepassingen].

4Druk op [Pijl-omlaagVolg.].

5Druk op [Gebruikersverificatie management].

Schermafbeelding bedieningspaneel

6Selecteer [Windows verif.].

Als u gebruikersverificatiebeheer niet wilt inschakelen, selecteert u [Uit].

7Als u gebruik wilt maken van Kerberos-verificatie, druk op [Aan].

Schermafbeelding bedieningspaneel

Als u gebruik wilt maken van NTLM-verificatie, drukt u op [Uit] en gaat u verder naar stap 9.

8Selecteer het Kerberos-verificatiedomein en ga verder naar stap 10.

Schermafbeelding bedieningspaneel

Als u Kerberos-verificatie wilt inschakelen, moet u eerst een domein registreren. Domeinnamen moeten worden geregistreerd in hoofdletters. Voor meer informatie over het registreren van een domein, zie Het apparaat aansluiten / Systeeminstellingen.

Er kunnen maximaal 5 domeinen geregistreerd worden.

9Druk op [Wijzigen] voor "Domeinnaam", voer de naam van de domeincontroller in om geverifieerd te worden en druk vervolgens op [OK].

10Druk op [Pijl-omlaagVolg.].

11Druk op [Aan] voor "Gebr. beveil. verbinding (SSL)".

Als u SSL (Secure Sockets Layer) niet voor verificatie wilt gebruiken, drukt u op [Uit].

Als u geen algemene groep heeft geregistreerd, ga dan verder met stap 18.

Als u wel een algemene groep heeft geregistreerd, ga dan verder met stap 12.

Als er algemene groepen zijn geregistreerd onder Windows-server, kunt u voor elke groep het gebruik van functies beperken.

U moet vooraf algemene groepen maken op de Windows-server en voor elke groep de gebruikers registreren die moeten worden geverifieerd. U moet tevens op het apparaat de functies registreren die beschikbaar zijn voor de leden van de algemene groepen. Het aanmaken van algemene groepen op het apparaat doet u door de namen van de geregistreerde algemene groepen in te voeren in de Windows-server. Houd er rekening mee dat groepsnamen hoofdlettergevoelig zijn. Specificeer vervolgens per groep de beschikbare apparaatfuncties.

Als er geen algemene groepen zijn opgegeven, kunnen gebruikers de functies gebruiken die in [ *Standaard groep] zijn gespecificeerd. Als er wel algemene groepen zijn opgegeven, kunnen gebruikers die niet in algemene groepen zijn geregistreerd de functies gebruiken die in [*Standaard groep] zijn gespecificeerd. Standaard zijn alle functies beschikbaar voor leden van de *Standaard groep. Geef op basis van de behoeften van de gebruikers de beperking van de beschikbare functies op.

12Druk op [Pijl-omlaagVolg.].

13Druk onder "Groep" op [Programmeren/Wijzigen] en druk vervolgens op [* Niet geprogr.].

Schermafbeelding bedieningspaneel

14Druk op [Wijzigen] voor "Groepsnaam" en voer de groepsnaam in.

15Druk op [OK].

16Selecteer bij "Andere functies" de apparaatfuncties die u wilt toestaan.

Windows-verificatie zal worden toegepast op de geselecteerde functies.

Gebruikers kunnen alleen gebruikmaken van de geselecteerde functies.

Voor meer informatie over het specificeren van beschikbare functies voor personen of groepen, zie Beschikbare functies beperken.

17Druk op [OK].

18Druk op [OK].

19Druk op de knop [Inloggen/Uitloggen].

Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. Als u op [Ja] klikt, wordt u automatisch uitgelogd.